ECLI:NL:RVS:2024:2573

Raad van State

Datum uitspraak
26 juni 2024
Publicatiedatum
26 juni 2024
Zaaknummer
202305242/1/V1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 29 Dublinverordening
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen overdracht vreemdeling aan Italië

De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank die zich onbevoegd verklaarde kennis te nemen van het beroep tegen de overdracht aan Italië. De staatssecretaris had eerder een voorlopige voorziening getroffen waardoor de overdrachtstermijn werd opgeschort.

De staatssecretaris heeft de vreemdeling inmiddels alsnog in de nationale procedure opgenomen omdat de overdrachtstermijn volgens artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening is verstreken. Hierdoor heeft de vreemdeling het doel van de procedure bereikt en bestaat er geen belang meer bij het hoger beroep.

De Afdeling heeft vervolgens onderzocht of de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten moet worden veroordeeld. Dit is niet het geval omdat het verstrijken van de overdrachtstermijn geen toedoen van de staatssecretaris is en geen aanleiding geeft tot kostenvergoeding.

Daarom verklaart de Afdeling het hoger beroep niet-ontvankelijk. De uitspraak is gedaan door een enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 26 juni 2024.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de vreemdeling in de nationale procedure is opgenomen na het verstrijken van de overdrachtstermijn.

Uitspraak

202305242/1/V1.
Datum uitspraak: 26 juni 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 25 juli 2023 in zaak nr. NL23.8048 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij brief van 10 maart 2023 heeft de staatssecretaris de vreemdeling meegedeeld dat, door een op verzoek van de staatssecretaris in hoger beroep getroffen voorlopige voorziening, de termijn voor de overdracht aan Italië is opgeschort, tot de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Bij uitspraak van 25 juli 2023 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om van het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep kennis te nemen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. D.W.M. van Erp, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft op verzoek van de Afdeling nadere schriftelijke inlichtingen gegeven.
Overwegingen
1.       De staatssecretaris heeft de Afdeling desgevraagd laten weten dat hij de vreemdeling alsnog in de nationale procedure opneemt. De overdrachtstermijn bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening is namelijk verstreken. De uiterste overdrachtsdatum is verstreken op 6 maart 2023 en de door de voorzieningenrechter van de Afdeling getroffen voorlopige voorziening heeft in dit geval geen opschortende werking. Daarmee heeft de vreemdeling het doel van de procedure bereikt. Daarom heeft de vreemdeling geen belang bij de beoordeling van het hoger beroep.
2.       Niettemin moet worden bezien of de staatssecretaris met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb tot vergoeding van de proceskosten moet worden veroordeeld. Daarvoor kan aanleiding bestaan als hij aan de vreemdeling tegemoet is gekomen of als het belang bij een uitspraak op het hoger beroep anderszins door zijn toedoen is vervallen (uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1855, onder 2.1). De staatssecretaris is niet tegemoetgekomen, als hij een asielaanvraag in behandeling neemt vanwege het verstrijken van de overdrachtstermijn. Dit is een veranderde omstandigheid die zich ten tijde van het besluit waarbij de staatssecretaris de asielaanvraag niet in behandeling heeft genomen, niet voordeed (uitspraak van de Afdeling van 8 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1084, onder 1.2). Weliswaar was de overdrachtstermijn ten tijde van de brief van 10 maart 2023 achteraf bezien al verstreken, maar dit is niet een omstandigheid die als toedoen van de staatssecretaris kan worden aangemerkt. Daarom bestaat geen aanleiding om de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten te veroordelen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Beerse
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2024
382-1060