ECLI:NL:RVS:2024:2540
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- N. Verheij
- M. Soffers
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingangsdatum afgeleid verblijfsrecht gemeenschapsonderdaan
De vreemdeling, met de Marokkaanse nationaliteit, vroeg op 7 oktober 2019 een artikel 9-document aan om rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan bij zijn stiefzoon, die de Nederlandse nationaliteit heeft. De staatssecretaris wees dit verzoek af, maar verstrekte later op 18 januari 2021 alsnog een artikel 9-document na de geboorte van hun gezamenlijke zoon. De kern van het hoger beroep betrof de vraag of de staatssecretaris een eerdere ingangsdatum van het afgeleid verblijfsrecht had kunnen of moeten vaststellen.
De staatssecretaris stelde dat hij niet bevoegd was om de ingangsdatum vast te stellen en dat de rechtbank ten onrechte inhoudelijk oordeelde over de afhankelijkheidsverhouding tussen de vreemdeling en zijn stiefzoon. De Afdeling bevestigde dat de staatssecretaris inderdaad niet bevoegd is om de ingangsdatum formeel vast te stellen, maar wel gehouden is om feitelijk vast te stellen vanaf wanneer het verblijfsrecht bestond, met het oog op rechtszekerheid en effectieve rechtsbescherming.
De Afdeling benadrukte dat de bewijslast voor het bestaan en het tijdstip van het afgeleid verblijfsrecht bij de vreemdeling ligt, die dit met concrete gegevens moet onderbouwen. De staatssecretaris moet vervolgens het nodige onderzoek verrichten. De rechtbank had terecht de afhankelijkheidsverhouding beoordeeld en geoordeeld dat de vreemdeling in bezwaar had moeten worden gehoord.
Het verzoek om prejudiciële vragen werd afgewezen omdat de zaak op nationaal recht kon worden beslist. De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond, bevestigde de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten en een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.