ECLI:NL:RVS:2024:2285
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- N. Verheij
- J.C.A. de Poorter
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning kennismigrant met terugwerkende kracht bevestigd
Bij besluit van 15 september 2022 trok de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van de vreemdeling met terugwerkende kracht in vanaf 1 mei 2019, omdat zij niet voldeed aan het salarisvereiste in de periode tot 1 oktober 2020. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en oordeelde dat de volledige intrekking onevenredig was vanwege de lange periode tussen kennisname en voornemen tot intrekking.
De vreemdeling stelde in hoger beroep dat intrekking met terugwerkende kracht niet mogelijk was, maar de Afdeling bestuursrechtspraak verwierp dit en bevestigde dat de staatssecretaris daartoe bevoegd is volgens vaste rechtspraak. Ook het beroep tegen het besluit van 6 februari 2024, waarin de intrekking gedeeltelijk werd gehandhaafd, werd ongegrond verklaard.
De Afdeling overwoog dat intrekking met terugwerkende kracht passend en noodzakelijk is om onrechtmatige situaties te herstellen en dat de vreemdeling geen bijzondere omstandigheden had aangevoerd die een uitzondering rechtvaardigen. De eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling om te voldoen aan de vergunningvereisten werd benadrukt.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaarde het hoger beroep en het beroep ongegrond en hoefde geen proceskosten toe te kennen.
Uitkomst: Het hoger beroep en het beroep tegen de terugwerkende intrekking van de verblijfsvergunning zijn ongegrond verklaard.