ECLI:NL:RVS:2024:2193
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in zaak verblijfsvergunning vreemdelingen
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 10 september 2019 een aanvraag van de vreemdelingen om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen. Hiertegen maakten de vreemdelingen bezwaar, dat bij besluiten van 25 juni 2021 en 16 oktober 2023 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdelingen op 20 februari 2024 gegrond, vernietigde het besluit voor zover het familieleven van een van de vreemdelingen en zijn familie in Nederland betreft, maar liet de overige rechtsgevolgen intact.
De vreemdelingen stelden hoger beroep in en verzochten de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter overwoog dat er geen spoedeisend belang was voor het treffen van een voorlopige voorziening, omdat niet was gebleken dat de vreemdelingen zouden worden uitgezet. Ook was er geen aanleiding voor een verdergaande voorziening.
Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek af en bepaalde dat de staatssecretaris geen proceskosten hoefde te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter J.J.W.P. van Gastel op 28 mei 2024.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en uitzettingsgevaar.