Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2024:2193

Raad van State

Datum uitspraak
28 mei 2024
Publicatiedatum
28 mei 2024
Zaaknummer
202401776/2/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in zaak verblijfsvergunning vreemdelingen

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 10 september 2019 een aanvraag van de vreemdelingen om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen. Hiertegen maakten de vreemdelingen bezwaar, dat bij besluiten van 25 juni 2021 en 16 oktober 2023 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdelingen op 20 februari 2024 gegrond, vernietigde het besluit voor zover het familieleven van een van de vreemdelingen en zijn familie in Nederland betreft, maar liet de overige rechtsgevolgen intact.

De vreemdelingen stelden hoger beroep in en verzochten de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter overwoog dat er geen spoedeisend belang was voor het treffen van een voorlopige voorziening, omdat niet was gebleken dat de vreemdelingen zouden worden uitgezet. Ook was er geen aanleiding voor een verdergaande voorziening.

Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek af en bepaalde dat de staatssecretaris geen proceskosten hoefde te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter J.J.W.P. van Gastel op 28 mei 2024.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en uitzettingsgevaar.

Uitspraak

202401776/2/V2.
Datum uitspraak: 28 mei 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[vreemdeling 1], [vreemdeling 2] en [vreemdeling 3],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 20 februari 2024 in zaak nr. NL21.12049 in het geding tussen:
de vreemdelingen
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 10 september 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 25 juni 2021, aangevuld op 16 oktober 2023, heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 20 februari 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover daarin het gestelde familieleven van [vreemdeling 1] en zijn in Nederland verblijvende grootouders, zus en tante niet is betrokken en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand blijven.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen hoger beroep ingesteld. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.       Uit het verzoek blijkt niet van een spoedeisend belang voor het treffen van een voorlopige voorziening om uitzetting achterwege te laten, nu nergens uit blijkt dat de vreemdelingen worden uitgezet. Er bestaat bovendien geen aanleiding voor het treffen van een verdergaande voorlopige voorziening, zoals door de vreemdelingen verzocht.
2.       Het verzoek wordt afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van de Sluis, griffier.
w.g. Van Gastel
voorzieningenrechter
w.g. Van de Sluis
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2024
802-1024