ECLI:NL:RVS:2024:1896

Raad van State

Datum uitspraak
6 mei 2024
Publicatiedatum
6 mei 2024
Zaaknummer
202107473/1/V1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArtikel 91 Vw 2000
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning wegens schending hoorplicht

Bij besluit van 28 juni 2018 wees de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aanvraag van de vreemdeling voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af. De vreemdeling maakte bezwaar, dat op 3 december 2020 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep eveneens ongegrond. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling oordeelde dat de eerste grief van de vreemdeling geen aanleiding gaf tot vernietiging, omdat deze betrekking had op een rechtsvraag die reeds was beantwoord in eerdere jurisprudentie. De tweede grief betrof de schending van de hoorplicht door de staatssecretaris. De Afdeling stelde vast dat de staatssecretaris onvoldoende terughoudend was geweest met uitzonderingen op de hoorplicht, terwijl de vreemdeling niet voldoende was gehoord over de stukken die hij had overgelegd.

De Afdeling vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 3 december 2020. De staatssecretaris werd opgedragen een nieuw besluit te nemen waarbij de vreemdeling eerst wordt gehoord. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht.

Uitkomst: Het besluit van de staatssecretaris wordt vernietigd wegens schending van de hoorplicht en een nieuw besluit wordt gelast na het horen van de vreemdeling.

Uitspraak

202107473/1/V1.
Datum uitspraak: 6 mei 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 2 november 2021 in zaak nr. 20/9008 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 28 juni 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 3 december 2020 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 2 november 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. E. Köse, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       Wat de vreemdeling in zijn eerste grief aanvoert, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1.    De grief gaat namelijk over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 26 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2058, onder 6.1 en 6.2, over de adviespraktijk van de minister van Economische Zaken en Klimaat over de vraag of de arbeid van een Turkse vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang dient). De grief biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.
2.       De vreemdeling klaagt in zijn tweede grief terecht over het oordeel van de rechtbank dat de staatssecretaris de hoorplicht niet heeft geschonden. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, onder 5 tot en met 5.2, is het uitgangspunt dat de staatssecretaris een vreemdeling hoort in bezwaar en moet hij terughoudend omgaan met uitzonderingen op zijn hoorplicht. De zaak gaat over de vraag of de vreemdeling voldoende stukken heeft overgelegd om zijn aanvraag voor advies voor te leggen aan de minister. Gelet op de stukken die de vreemdeling in bezwaar heeft overgelegd en op het gegeven dat de staatssecretaris de minister in bezwaar voor een tweede keer om advies heeft gevraagd, kon de staatssecretaris in dit geval redelijkerwijs niet tot het oordeel komen dat het bezwaar kennelijk ongegrond was zonder de vreemdeling in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
De grief slaagt.
3.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het beroep is gegrond en het besluit van 3 december 2020 wordt vernietigd. De staatssecretaris moet een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar nemen en de vreemdeling daarvoor horen. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 2 november 2021 in zaak nr. 20/9008;
III.      verklaart het beroep gegrond;
IV.     vernietigt het besluit van 3 december 2020, V-[…];
V.      veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.625,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VI.     gelast dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan de vreemdeling het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 448,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. J.M. Willems, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.
w.g. Verburg
voorzitter
w.g. Verbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2024
382-977