ECLI:NL:RVS:2024:1632
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing integrale proceskostenvergoeding na herziening toeslagbesluiten
Appellante woonde sinds 2017 in een pand waarvan haar broer eigenaar is. De Belastingdienst herzag in 2021 de toeslagen voor 2020 en 2021 en bestempelde appellante en haar broer als toeslagpartners, wat tot bezwaar leidde. De dienst herzag de besluiten later op basis van opgewekt vertrouwen en beëindigde het toeslagpartnerschap opnieuw.
Appellante vorderde vergoeding van de werkelijke proceskosten voor het indienen van bezwaar. De rechtbank wees dit af wegens ontbreken van bijzondere omstandigheden die een integrale vergoeding rechtvaardigen en oordeelde dat de dienst niet willens en wetens onzorgvuldig handelde.
In hoger beroep betoogde appellante dat de dienst onzorgvuldig en zwalkend handelde en dat de werkelijke kosten vergoed moeten worden. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde echter dat hoewel de dienst fouten maakte, deze niet willens en wetens onjuiste besluiten handhaafde en dat er geen uitzonderlijk hoge kosten waren gemaakt.
De Afdeling bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. De dienst hoeft geen integrale proceskostenvergoeding te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de rechtbankuitspraak bevestigd; geen integrale proceskostenvergoeding voor appellante.