ECLI:NL:RVS:2024:1106
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdelingen
Bij besluit van 5 oktober 2020 wees de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aanvraag van vijf vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdelingen maakten bezwaar tegen dit besluit, dat op 3 september 2021 ongegrond werd verklaard. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdelingen tegen deze besluiten gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moest nemen met inachtneming van de uitspraak.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State. De Raad van State oordeelde dat het hoger beroep geen nieuwe vragen bevatte die beantwoording behoefden in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. Het motiveringsgebrek dat de rechtbank had vastgesteld, kon eenvoudig worden hersteld. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Tegen het nieuwe besluit van 20 december 2022, waarin de staatssecretaris het bezwaar opnieuw ongegrond verklaarde, werd eveneens beroep ingesteld. De staatssecretaris trok dit besluit in en gaf aan een nieuw besluit te zullen nemen, waardoor het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdelingen in het hoger beroep.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.