ECLI:NL:RVS:2023:4787
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering verlenging vergunning particuliere beveiligingsorganisatie wegens onbetrouwbaarheid leidinggevende
De minister voor Rechtsbescherming weigerde op 10 september 2020 de verlenging van een vergunning voor het in stand houden van een particuliere beveiligingsorganisatie, omdat de directeur en enig aandeelhouder, appellant sub 2, op 16 december 2019 was gedagvaard wegens het schenden van een wettelijke geheimhoudingsplicht. Deze weigering werd bevestigd na bezwaar en beroep bij de rechtbank Overijssel.
Appellanten stelden dat appellant sub 2 ten onrechte was veroordeeld en dat de minister onvoldoende rekening had gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder het feit dat hij slachtoffer was van een handgranaat bij zijn horecazaak en dat hij het horecabedrijf inmiddels had verkocht. De rechtbank oordeelde echter dat de minister redelijkerwijs mocht concluderen dat appellant sub 2 niet betrouwbaar was als leidinggevende van een beveiligingsorganisatie.
De Raad van State bevestigt dit oordeel en benadrukt dat de minister beoordelingsruimte heeft bij het toetsen van betrouwbaarheid en dat het schenden van een geheimhoudingsplicht een ernstige aantasting van de rechtsorde vormt. Ook is de dwingendrechtelijke aard van artikel 7, vierde lid, van de Wpbr van belang, waardoor de minister de vergunning moet weigeren als de betrouwbaarheid ontbreekt. De persoonlijke omstandigheden van appellant sub 2 zijn volgens de Afdeling niet relevant voor de beoordeling van zijn betrouwbaarheid.
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, met verbetering van de gronden. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van de minister om de vergunning te verlengen wegens onvoldoende betrouwbaarheid van de leidinggevende.