ECLI:NL:RVS:2023:4119
Raad van State
- Hoger beroep
- A. ten Veen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking toevoegingen gesubsidieerde rechtsbijstand wegens overschrijding inkomensgrens
Het geschil betreft de intrekking van toevoegingen voor gesubsidieerde rechtsbijstand door de raad voor rechtsbijstand aan appellant, gebaseerd op het volgens de raad te hoge inkomen van appellant in de peiljaren 2015, 2016 en 2020. De rechtbank oordeelde dat de raad terecht de toevoegingen had ingetrokken en de betaalde bedragen had teruggevorderd, omdat het inkomen van appellant boven de wettelijke inkomensgrens lag. Tevens werd geoordeeld dat de opgelegde eigen bijdrage van € 798,00 bij peiljaarverlegging terecht was.
Appellant betwistte niet de juistheid van de door de Belastingdienst definitief vastgestelde inkomensgegevens, maar stelde onder meer dat een belastingvrijstelling van toepassing zou zijn en dat zijn inkomen nihil was. De rechtbank verwierp deze stellingen omdat er geen wijziging van de aanslagen was en appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zijn inkomen lager was dan vastgesteld.
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt het oordeel van de rechtbank en wijst het hoger beroep van appellant af. De Afdeling benadrukt dat het geschil uitsluitend gaat over de toevoegingen en niet over de onderliggende juridische procedures. Ook veroordeelt de Afdeling het procederen van appellant met ongefundeerde beschuldigingen als verwerpelijk. De uitspraak van de rechtbank wordt daarmee bekrachtigd en de raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de toevoegingen bevestigd.