ECLI:NL:RVS:2023:3890
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- N. Verheij
- J.C.A. de Poorter
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaar machtiging voorlopig verblijf
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 5 december 2019 de aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Vervolgens verklaarde de staatssecretaris het bezwaar van de vreemdeling tegen dit besluit niet-ontvankelijk, omdat hij in een andere procedure al een machtiging en verblijfsvergunning had toegekend met hetzelfde verblijfsdoel.
De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze niet-ontvankelijkverklaring eveneens niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang. De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de vreemdeling wel belang had bij een oordeel over de ontvankelijkheid van zijn bezwaar en vernietigde het vonnis van de rechtbank.
De Afdeling beoordeelde vervolgens het beroep inhoudelijk en verwierp de beroepsgronden van de vreemdeling. De staatssecretaris had terecht geoordeeld dat de vreemdeling geen belang had bij het bezwaar, omdat een positieve beslissing geen eerdere ingangsdatum van de verblijfsvergunning zou opleveren. Ook was het niet horen van de vreemdeling in bezwaar gerechtvaardigd. De Afdeling verklaarde het beroep ongegrond en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van de vreemdeling.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.