ECLI:NL:RVS:2020:1602
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake niet-ontvankelijkheid bezwaar intrekking verklaring van geen bezwaar
Appellant had een verklaring van geen bezwaar (vgb) voor een vertrouwensfunctie bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, die de minister op 25 oktober 2017 introk na een onderzoek van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst. Appellant maakte bezwaar tegen deze intrekking, maar dit bezwaar werd door de minister en de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang, omdat appellant het dienstverband inmiddels had beëindigd.
Appellant stelde hoger beroep in tegen de niet-ontvankelijkverklaring. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het bezwaar wegens gebrek aan procesbelang niet-ontvankelijk had verklaard. De Afdeling stelde dat appellant wel belang had bij een oordeel over de rechtmatigheid van het besluit, ook al was het dienstverband beëindigd.
De Afdeling vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van appellant tegen het besluit van 19 december 2018 ongegrond, waarmee het besluit van de minister in stand bleef. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant en het griffierecht.
De Afdeling benadrukte dat een nieuwe aanvraag voor een vgb zelfstandig wordt beoordeeld en dat het in stand blijven van het besluit van 25 oktober 2017 niet verhindert dat appellant bezwaar kan maken tegen toekomstige besluiten.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep tegen het besluit van de minister ongegrond verklaard; de minister is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.