ECLI:NL:RVS:2023:3853
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Huurtoeslagzaak: toekenning schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn
Appellant vorderde huurtoeslag over de jaren 2016, 2017 en 2018, welke door de Belastingdienst/Toeslagen aanvankelijk werd afgewezen vanwege haar aandeelhouderschap in de verhuurders-BV. Na bezwaar en beroep trok de Belastingdienst het eerdere besluit in en stelde het recht op toeslag definitief vast in april 2021.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het intrekkingsbesluit niet-ontvankelijk en oordeelde dat de Belastingdienst opnieuw moest beslissen op de bezwaren. Tevens wees de rechtbank het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af en stelde zij de proceskostenvergoeding laag vast.
In hoger beroep stelde appellant dat de proceskostenvergoeding te laag was en dat onterecht geen inhoudelijke beslissing was genomen op de schadevergoeding. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank het verzoek om schadevergoeding wel had moeten behandelen en dat de redelijke termijn was overschreden door zowel de Belastingdienst als de rechtbank.
De Afdeling vernietigde het bestreden vonnis voor zover het niet op de schadevergoeding besliste, wees de schadevergoeding toe van in totaal €1.000, waarvan €900 door de Belastingdienst en €100 door de Staat te betalen, en wees de proceskostenvergoedingen toe. Het verzoek om aanvullende schadevergoeding werd afgewezen omdat de totale procedure niet langer dan vier jaar duurde.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak wijst de schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn en veroordeelt de Belastingdienst en de Staat tot betaling.