ECLI:NL:RVS:2023:314

Raad van State

Datum uitspraak
25 januari 2023
Publicatiedatum
25 januari 2023
Zaaknummer
202203863/1/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 67 Vw 2000Art. 11 TerugkeerrichtlijnArt. 91, tweede lid, Vw 2000
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verzoek opheffing ongewenstverklaring Unieburger

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 21 januari 2021 het verzoek van de vreemdeling om opheffing van zijn ongewenstverklaring af. Na een ongegrond verklaard bezwaar volgde op 1 juni 2022 een uitspraak van de rechtbank Den Haag die het beroep van de vreemdeling eveneens ongegrond verklaarde. De vreemdeling, een Unieburger, stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het hoger beroep niet tot vernietiging van de uitspraak leidt. De rechtbank had het juiste toetsingskader toegepast, waarbij de Terugkeerrichtlijn niet van toepassing is op Unieburgers, maar alleen op derdelanders. De vreemdeling kon zich niet beroepen op eerdere uitspraken die betrekking hadden op derdelanders.

Het hoger beroep bevatte geen vragen die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of algemene rechtsbescherming, zodat nadere motivering achterwege kon blijven. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en de staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek tot opheffing van de ongewenstverklaring wordt bevestigd.

Uitspraak

202203863/1/V2.
Datum uitspraak: 25 januari 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 1 juni 2022 in zaak nr. 21/2790 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 21 januari 2021 heeft de staatssecretaris een verzoek van de vreemdeling om opheffing van zijn ongewenstverklaring afgewezen.
Bij besluit van 13 april 2021 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 1 juni 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S.C. van Paridon, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht geconcludeerd dat de staatssecretaris het juiste toetsingskader heeft toegepast. Anders dan de vreemdeling in de eerste grief betoogt, kan hij geen geslaagd beroep doen op de uitspraken van de Afdeling van 7 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:665, en 6 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:994. In deze uitspraken gaat het namelijk om een nationaalrechtelijke ongewenstverklaring in de zin van artikel 67 van Pro de Vw 2000 die na de inwerkingtreding van de Terugkeerrichtlijn moet worden aangemerkt als inreisverbod in de zin van artikel 11 van Pro die richtlijn. De vreemdeling is een Unieburger. De Terugkeerrichtlijn is alleen van toepassing op derdelanders en niet op Unieburgers, anders dan de vreemdeling betoogt.
1.1.    Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000)
2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.W.M.J. Bossmann, griffier.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Bossmann
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2023
314-1024