ECLI:NL:RVS:2023:2771
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak inzake inzage politiegegevens FIOD onder Wet politiegegevens
De appellant verzocht de minister van Financiën om inzage in zijn persoonsgegevens die door de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) zijn verwerkt. De minister gaf aan dat de AVG niet van toepassing is, maar dat de Wet politiegegevens (Wpg) wel van toepassing is en verleende inzage in de politiegegevens. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, omdat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er politiegegevens waren achtergehouden.
In hoger beroep voerde appellant aan dat er meer politiegegevens moesten zijn dan waarop hij inzage had gekregen, verwijzend naar documenten, vorderingen en een cd-rom die mogelijk meer gegevens bevatten. Hij stelde ook dat het achterhouden van stukken zijn recht op een eerlijk proces schond en verzocht om een dwangsom en immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Raad van State oordeelde dat de minister terecht had toegelicht dat de FIOD geen onderzoek naar appellant had gedaan en dat de vorderingen waren doorgestuurd naar de Belastingdienst. De appellant had onvoldoende onderbouwd dat er meer politiegegevens waren dan waarop hij inzage had gekregen. Ook was er geen sprake van schending van het recht op een eerlijk proces of disproportionaliteit. De redelijke termijn was niet overschreden en een dwangsom was niet gerechtvaardigd.
De Raad van State bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.