ECLI:NL:RVS:2023:189
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vermindering boete voor onvergunde omzetting zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimten
De zaak betreft een boete van €6.000 die het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam oplegde aan [appellante] wegens het zonder vergunning omzetten van een zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimten. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van [appellante] ongegrond, maar zij stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelt dat de rechtbank terecht stukken buiten beschouwing liet die te laat waren ingediend, maar dat er bijzondere omstandigheden zijn die matiging van de boete rechtvaardigen. [Appellante] had kort na constatering van de overtreding een omzettingsvergunning verkregen, en de omzetting droeg bij aan het vergroten van het woningaanbod zonder negatieve gevolgen voor de woonruimtevoorraad of leefbaarheid.
De Raad van State vernietigt het vonnis van de rechtbank en het besluit van het college, herroept het boetebesluit van 28 september 2018 en stelt de boete vast op €3.000. Tevens veroordeelt de Raad het college tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde besluit.
Uitkomst: De boete wordt gematigd van €6.000 naar €3.000 en het besluit van het college wordt herroepen.