ECLI:NL:RVS:2022:935
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering wapenverlof vanwege twijfel aan verantwoord wapenbezit na stressvolle omstandigheden en eerdere intrekking
Appellante had eerder een wapenverlof voor twee vuurwapens, dat in 2016 werd ingetrokken vanwege onregelmatigheden en twijfel over verantwoord wapenbezit. Na een nieuwe aanvraag in 2018 werd het verlof geweigerd omdat sprake was van een herhaalde aanvraag, waarna het administratief beroep deels werd toegewezen. Een latere aanvraag in 2019 werd opnieuw geweigerd omdat de korpschef vreesde dat het wapenbezit niet verantwoord kon worden toevertrouwd aan appellante.
De korpschef baseerde dit op stressvolle omstandigheden in 2016-2017, waarbij appellante ten onrechte aangifte wilde doen van huisvredebreuk en stalking, en op eerdere feiten zoals het opvragen van offertes onder een valse naam en het onjuist opslaan van munitie. Appellante voerde aan dat de stressvolle periode voorbij was en dat zij inmiddels was verhuisd, maar kon dit niet aantonen met een verklaring van een arts of psychiater.
De Raad van State oordeelde dat geringe twijfel aan verantwoord wapenbezit voldoende is om een verlof te weigeren en dat de korpschef en minister in redelijkheid de eerdere feiten en stressvolle omstandigheden mochten meewegen, gezien het korte tijdsverloop. Ook het belang van de veiligheid in de samenleving weegt zwaarder dan het belang van appellante bij het bezit van een eigen wapen.
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de weigering van het wapenverlof wordt ongegrond verklaard en de weigering bevestigd.