ECLI:NL:RVS:2022:28
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- D.A. Verburg
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Rechtmatigheid inbewaringstelling vreemdeling met internationale bescherming in andere lidstaat
De zaak betreft de inbewaringstelling van een vreemdeling die illegaal in Nederland verbleef maar internationale bescherming genoot in Duitsland. De staatssecretaris had haar opgedragen te vertrekken naar Duitsland en haar in bewaring gesteld toen zij hieraan geen gehoor gaf. De rechtbank oordeelde dat de inbewaringstelling onrechtmatig was vanwege het ontbreken van een terugkeerbesluit en het niet tijdig aanleveren van stukken.
De Raad van State stelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EU over de toepassing van de Terugkeerrichtlijn. Het Hof oordeelde dat de richtlijn niet van toepassing is op situaties waarin terugkeerbesluiten niet kunnen worden genomen vanwege het non-refoulementbeginsel. De Raad concludeerde dat de nationale wettelijke grondslag (artikel 59, tweede lid, Vw 2000) voor inbewaringstelling in deze context rechtmatig is, mits grondrechten worden geëerbiedigd.
De Raad oordeelde dat de wettelijke grondslag voldoet aan het legaliteitsvereiste van artikel 5 EVRM Pro en voldoende bescherming biedt tegen willekeur. Ook is voldaan aan de eisen van noodzakelijkheid en evenredigheid. De eerdere onrechtmatigheidsoordelen van de rechtbank werden verworpen. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen, maar de staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De inbewaringstelling van de vreemdeling was rechtmatig en het beroep van de staatssecretaris werd ongegrond verklaard.