ECLI:NL:RVS:2022:2702
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- C.M. Wissels
- J.H. van Breda
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank over nationale verblijfsregeling en Unierecht
De vreemdeling, naar eigen zeggen Kosovaarse nationaliteit, verzocht ambtshalve om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wegens schrijnende omstandigheden. De staatssecretaris wees dit verzoek af, waarna de vreemdeling bezwaar maakte en beroep instelde. De rechtbank verklaarde het beroep deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond, maar vernietigde het besluit van 17 augustus 2020 en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moest nemen.
In hoger beroep betoogde de vreemdeling dat de nationale regeling in artikel 3.6ba van het Vb 2000 onverenigbaar is met het Unierecht, met name artikel 6, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn en artikel 47 van Pro het EU Handvest, omdat deze regeling de bevoegdheid van de staatssecretaris beperkt en geen effectief rechtsmiddel biedt.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat artikel 6, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn een door lidstaten behouden bevoegdheid erkent om in schrijnende gevallen verblijf te verlenen, maar dat deze bepaling geen verplichting of bevoegdheid inhoudt die via de nationale regeling wordt uitgevoerd. De nationale regeling brengt dus geen Unierecht ten uitvoer en het EU Handvest is niet van toepassing. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
De Afdeling zag geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie en wees de overige grieven af omdat het betoog van de vreemdeling reeds het beoogde resultaat had bereikt: een inhoudelijke beoordeling van zijn schrijnende situatie door de staatssecretaris met mogelijkheid tot rechtsmiddel.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.