ECLI:NL:RVS:2022:1861
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdelingen
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 6 september 2019 de aanvraag van vier vreemdelingen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af. Hiertegen maakten de vreemdelingen bezwaar, dat op 22 oktober 2020 ongegrond werd verklaard. Vervolgens verklaarde de rechtbank Den Haag op 19 mei 2021 het beroep van de vreemdelingen ongegrond.
De vreemdelingen stelden hoger beroep in en verzochten de voorzieningenrechter van de Raad van State om een voorlopige voorziening te treffen, zodat zij niet zouden worden uitgezet voordat op het hoger beroep was beslist. De vreemdelingen voerden aan dat de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) hen wilde presenteren bij de Marokkaanse ambassade, wat volgens hen een dreigende uitzetting betekende.
De voorzieningenrechter oordeelde echter dat uit de omstandigheid dat de vreemdelingen bij de ambassade zouden worden gepresenteerd, niet blijkt dat er een dreigende uitzetting is. Hierdoor ontbrak het spoedeisend belang voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek werd daarom afgewezen en de staatssecretaris hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen uitzetting wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.