ECLI:NL:RVS:2022:1780
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- E. Helder
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen ontpoldering Hedwigepolder wegens PFAS-verontreiniging
De voormalige eigenaar van de Hedwigepolder verzocht de Raad van State om een voorlopige voorziening te treffen tegen de uitvoering van het rijksinpassingsplan (RIP) voor de ontpoldering van de Hedwigepolder. Hij stelde dat de Afdeling bestuursrechtspraak tot een ander oordeel zou zijn gekomen als zij destijds bekend was geweest met de ernstige PFAS-verontreiniging in het water van de Westerschelde, waardoor het instromende water bij ontpoldering het gebied zou verontreinigen en de beoogde estuariene natuur niet gerealiseerd kan worden.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig karakter heeft en dat de bodemprocedure hierover in september 2022 uitspraak zal doen. Uit onderzoek blijkt dat de PFAS-concentraties in de Westerschelde weliswaar hoog zijn, maar dat een dalende trend zichtbaar is en dat maatregelen worden genomen om verdere uitstoot te beperken. De kans op ernstige milieuschade wordt als beperkt ingeschat.
Tegenover dit beperkte milieurisico staat het belang van de minister, het Vlaams Gewest en De Vlaamse Waterweg N.V. om de ontpolderingswerkzaamheden spoedig te starten. Het staken van de werkzaamheden kan leiden tot een ongecontroleerde inundatie van de polders, met grote veiligheidsrisico's. De voorzieningenrechter acht dit risico zwaarwegend en concludeert dat de voorlopige voorziening moet worden afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de ontpoldering van de Hedwigepolder wordt afgewezen vanwege het beperkte milieurisico en het grote veiligheidsrisico bij staken van de werkzaamheden.