ECLI:NL:RVS:2022:1606
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- E.J. Daalder
- J.M.L. Niederer
- J.J.W.P. van Gastel
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bestemmingsplan voor woningbouw op locatie 'n Stet door gemeente Borne
Op 12 september 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Borne het verzoek van appellante en anderen tot vaststelling van een bestemmingsplan voor de percelen, kadastraal bekend als Borne L240 en L241 (locatie 'n Stet), afgewezen. Appellante en anderen willen tien vrijstaande woningen met ruime kavels realiseren op deze locatie en hebben op 12 juni 2018 een verzoek ingediend voor een uitwerkingsplan en bestemmingsplan. Het college heeft dit verzoek geweigerd. Op 5 maart 2019 heeft de raad van de gemeente Borne het bezwaar van appellante en anderen gegrond verklaard, maar alleen voor zover het gericht was tegen de weigering van het onbevoegde orgaan om een bestemmingsplan vast te stellen. Voor het overige werd het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing hebben appellante en anderen beroep ingesteld.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft de zaak op 18 februari 2022 behandeld. Tijdens deze zitting waren appellante en anderen vertegenwoordigd door hun advocaat, mr. I.E. Nauta, en de raad door mr. T.E.P.A. Lam, ing. H.S. Zuethoff, mr. M. Kruit en J.J.W. Jonker. De Afdeling oordeelde dat het besluit van het college van 12 september 2018 onbevoegd was genomen, omdat de raad op basis van de Wet ruimtelijke ordening exclusief bevoegd is om een bestemmingsplan vast te stellen. De Afdeling concludeerde dat het bevoegdheidsgebrek in bezwaar kon worden hersteld, wat de raad ook heeft gedaan met het besluit van 5 maart 2019.
De Afdeling oordeelde verder dat de locatie 'n Stet niet binnen de begrenzing van de woonwijk Bornsche Maten ligt, zoals vastgelegd in het Masterplan Bornsche Maten Actualisatie 2019. De raad heeft besloten om buiten deze begrenzing geen woningen toe te staan. Het beroep van appellante en anderen werd ongegrond verklaard, en de raad werd niet verplicht om proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd openbaar uitgesproken op 8 juni 2022.