ECLI:NL:RVS:2022:1565
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring verblijfsvergunning asiel
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had op 7 januari 2021 een aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaard. De vreemdeling ging hiertegen in beroep bij de rechtbank Den Haag, die het beroep ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Tijdens de procedure heeft de staatssecretaris op 4 februari 2022 de aanvraag alsnog ingewilligd vanwege het verstreken van de wettelijke beslistermijn en de onzekere situatie in Afghanistan, die een besluit- en vertrekmoratorium rechtvaardigde. Hierdoor heeft de vreemdeling bereikt wat hij met het hoger beroep beoogde.
De Afdeling oordeelt dat het procesbelang voor een inhoudelijke beoordeling ontbreekt en verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Tevens wordt overwogen dat geen aanleiding bestaat om de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van proceskosten, omdat de inwilliging het gevolg is van gewijzigde omstandigheden die zich destijds niet voordeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de aanvraag verblijfsvergunning asiel inmiddels is ingewilligd.