ECLI:NL:RVS:2022:1507

Raad van State

Datum uitspraak
25 mei 2022
Publicatiedatum
25 mei 2022
Zaaknummer
202005921/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Intrekking
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling bij intrekking hoger beroep in vreemdelingenzaak na verlening verblijfsvergunning

De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, inzake een vreemdelingenzaak. Bij brief van 19 januari 2022 trok de vreemdeling het hoger beroep in en verzocht de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten die de vreemdeling had gemaakt.

De Afdeling overwoog dat op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in samenhang met artikel 8:108 Awb Pro, in geval van intrekking van het hoger beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het hogerberoepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak kan worden veroordeeld in de proceskosten.

De staatssecretaris had op 8 juli 2021 alsnog een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan de vreemdeling verleend, waarmee hij aan de vreemdeling tegemoet was gekomen. De Afdeling achtte het verzoek tot proceskostenvergoeding dan ook kennelijk gegrond en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van € 759,00 aan proceskosten, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

De uitspraak werd gedaan door het lid van de enkelvoudige kamer N. Verheij, in aanwezigheid van griffier P.A.M.J. Graat, op 25 mei 2022.

Uitkomst: De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van € 759,00 aan proceskosten na intrekking van het hoger beroep.

Uitspraak

202005921/1/V2.
Datum uitspraak: 25 mei 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het verzoek van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het hoger beroep (artikel 8:75a van de Awb).
Procesverloop
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S.J. Koolen, advocaat te Utrecht, heeft tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 29 oktober 2020 in zaak nr. NL20.14163, hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 19 januari 2022 heeft de vreemdeling het hoger beroep ingetrokken en de Afdeling verzocht de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid te veroordelen in de bij hem opgekomen proceskosten.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 8:75a, gelezen in samenhang met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb kan, in geval van intrekking van het hoger beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het hogerberoepschrift is tegemoetgekomen, dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro die wet worden veroordeeld.
2. De vreemdeling heeft het hoger beroep ingetrokken in reactie op een brief van de staatssecretaris aan de Afdeling van 5 januari 2022 en gelijktijdig een verzoek gedaan om de staatssecretaris in de proceskosten daarvan te veroordelen. In de brief van 5 januari 2022 staat dat de staatssecretaris bij besluit van 8 juli 2021 de vreemdeling alsnog een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft verleend. Hiermee is hij de vreemdeling tegemoetgekomen als bedoeld in artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb.
3. Het verzoek moet als kennelijk gegrond op na te melden wijze worden toegewezen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 759,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, griffier.
Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Graat
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2022
309-936