ECLI:NL:RVS:2021:61
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing Nederlanderschap wegens verblijfsgat ondanks verzoek bijzondere omstandigheden
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees het verzoek om Nederlanderschap voor een minderjarig kind af omdat het kind niet onafgebroken een verblijfsrecht voor onbepaalde tijd had sinds het moment van het verzoek. Er was een verblijfsgat van een maand tussen twee verblijfsvergunningen.
Het kind en zijn wettelijk vertegenwoordiger stelden dat er geen wettelijke hardheidsclausule bestaat om in bijzondere gevallen af te wijken van de vereisten in artikel 11, tweede lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). De rechtbank had dit standpunt verworpen en de afwijzing bevestigd.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat de wetgever bewust geen afwijkingsmogelijkheid voor het verblijfsgat in artikel 11, tweede lid, heeft opgenomen. Artikel 10 RWN Pro biedt slechts een beperkte hardheidsclausule die niet ziet op het verblijfsgat. Daarom is geen ruimte voor afwijking en is het hoger beroep ongegrond verklaard.
De uitspraak bevestigt dat het verblijfsgat een harde voorwaarde is voor medenaturalisatie van minderjarige kinderen en dat uitzonderingen daarop niet mogelijk zijn, ook niet in bijzondere gevallen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek om Nederlanderschap wordt bevestigd vanwege het verblijfsgat.