ECLI:NL:RVS:2021:577
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- J.J. van Eck
- G.T.J.M. Jurgens
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bestuurlijke boete voor zonder vergunning omgezet houden van zelfstandige woning in onzelfstandige woonruimten
Appellante, mede-eigenaar van een woning in Amsterdam, verhuurde deze aan haar dochter die de woning onderverhuurde zonder vergunning. Na meldingen van mogelijke woonfraude voerden toezichthouders huisbezoeken uit en constateerden dat de woning door drie personen werd bewoond als onzelfstandige woonruimten.
Het college legde een bestuurlijke boete van €6.000,- op wegens overtreding van de Huisvestingswet en Huisvestingsverordening. Appellante voerde aan dat zij geen vergunning nodig had omdat de woning al vóór de Huisvestingsverordening was omgezet en dat de verordening onverbindend was vanwege het ontbreken van een onafhankelijk onderzoek. Ook betwistte zij de feitelijke bewoning door drie personen en verzocht om matiging van de boete.
De Raad van State oordeelde dat de vergunningplicht wel degelijk geldt voor het omgezet houden van een woning in onzelfstandige woonruimten, ongeacht wanneer de omzetting plaatsvond. Het feitelijk gebruik van de woning door drie personen die geen gezamenlijk huishouden vormden, werd voldoende aannemelijk geacht. De door appellante aangevoerde omstandigheden boden geen grond voor matiging van de boete.
De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De bestuurlijke boete van €6.000,- voor het zonder vergunning omgezet houden van de woning wordt bevestigd.