ECLI:NL:RVS:2021:1729
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering kindgebonden budget wegens overschrijding vermogensgrens
De zaak betreft het hoger beroep van een appellant tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam die de terugvordering van het kindgebonden budget over 2014 door de Belastingdienst/Toeslagen heeft bevestigd. De Belastingdienst had het kindgebonden budget aanvankelijk vastgesteld op € 2.369,00, maar stelde later vast dat het vermogen van de toeslagpartner hoger was dan de vermogensgrens van € 81.360,00, waardoor het budget werd teruggevorderd en op nihil gesteld.
De appellant betoogde dat het vermogen van de overleden toeslagpartner nog niet definitief vaststaat vanwege een lopend bezwaar en dat zij zelf geen erfgenaam is, waardoor toepassing van de hardheidsclausule op haar situatie passend zou zijn. De Raad van State oordeelde dat het vermogen van de toeslagpartner volgens de wet moet worden betrokken bij de berekening en dat de Belastingdienst terecht is uitgegaan van de vastgestelde gegevens in de Basis registratie inkomen (Bri).
Verder is geoordeeld dat de hardheidsclausule niet van toepassing is omdat de wetgever een limitatief stelsel heeft neergelegd en de omstandigheden van appellant niet tot een onbillijkheid van overwegende aard leiden. Ook de terugvordering is rechtmatig, aangezien er geen bijzondere omstandigheden zijn die matiging of afzien van terugvordering rechtvaardigen. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De terugvordering van het kindgebonden budget over 2014 is rechtmatig en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.