ECLI:NL:RVS:2021:1625
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- C.M. Wissels
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling krijgt nieuwe beslissing over machtiging voorlopig verblijf wegens sterke familieband en medische situatie kleinzoon
De vreemdeling verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf in Nederland om bij haar kleinzoon te kunnen wonen, die een zeldzame medische aandoening heeft met fysieke en communicatieve beperkingen. De staatssecretaris wees dit verzoek af, waarna de rechtbank het bezwaar ongegrond verklaarde. De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank en de staatssecretaris onvoldoende rekening hadden gehouden met de sterke en bijzondere band tussen de vreemdeling en haar kleinzoon, vooral gezien zijn medische situatie en hun gezamenlijke voorgeschiedenis. De rechtbank had onvoldoende betrokken dat de vreemdeling de kleinzoon feitelijk heeft verzorgd in zijn hechtingsfase en dat haar betrokkenheid van belang is voor zijn behandeling en dagelijks functioneren.
De belangenafweging was daardoor onzorgvuldig en onvolledig, met te veel gewicht toegekend aan het economische belang van Nederland ten koste van het gezinsleven van de vreemdeling en haar kleinzoon. De Raad van State vernietigde daarom het eerdere besluit en de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat de staatssecretaris opnieuw moet beslissen, met een zorgvuldige afweging van de individuele omstandigheden. Tevens werden proceskosten en griffierecht aan de vreemdeling toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de machtiging voorlopig verblijf wordt vernietigd voor een nieuwe zorgvuldige beslissing.