ECLI:NL:RVS:2022:930
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.G. Sevenster
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake weigering machtiging voorlopig verblijf minderjarige vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 26 juni 2019 de aanvraag van een Iraanse minderjarige vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdeling, die in Iran verbleef en gezinsleven wilde voeren met zijn moeder in Nederland, maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze afwijzing. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna de vreemdeling hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd of de belangenafweging van de staatssecretaris, waarbij het belang van de Nederlandse staat bij een restrictief toelatingsbeleid zwaarder werd gewogen dan het persoonlijk belang van de minderjarige vreemdeling, proportioneel was. De rechtbank had onvoldoende rekening gehouden met het belang van de minderjarige, de gezinsrelatie met de moeder, en de omstandigheden rondom het ontbreken van ouderlijk gezag en het verblijfsrecht van de moeder.
De Afdeling stelde dat de belangen van het kind als eerste moeten worden meegewogen en dat de rechtbank ten onrechte niet had betrokken dat de moeder een opleiding volgt en werkt, en dat de moeder kort na het verkrijgen van haar verblijfsdocument de aanvraag voor haar zoon had ingediend. Gelet op deze tekortkomingen werd de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen voor een nieuwe beoordeling met inachtneming van de overwegingen van de Afdeling. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen voor herbeoordeling met vergoeding van proceskosten aan de vreemdeling.