ECLI:NL:RVS:2022:1030
Raad van State
- Hoger beroep
- D.A. Verburg
- H.G. Sevenster
- A. Kuijer
- Rechtspraak.nl
Vernietiging afwijzing verblijfsvergunning minderjarige vreemdelingen wegens ondeugdelijke belangenafweging
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 25 november 2019 de aanvraag van twee minderjarige vreemdelingen om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af. De vreemdelingen, geboren in 2005 en 2007, hebben sinds 2016 hun hoofdverblijf in Nederland en zijn afhankelijk van hun vader, die als referent een aanvraag indiende. De afwijzing was gebaseerd op het niet voldoen aan het paspoort- en middelenvereiste, waarbij de staatssecretaris oordeelde dat dit niet in strijd was met artikel 8 EVRM Pro.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdelingen ongegrond, waarna zij hoger beroep instelden bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat de rechtbank en de staatssecretaris onvoldoende rekening hadden gehouden met het belang van de minderjarige vreemdelingen, zoals vereist door vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. De belangenafweging was ondeugdelijk gemotiveerd, met name doordat het belang van het gezinsleven en de schoolgang onvoldoende in onderlinge samenhang waren meegewogen.
De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de staatssecretaris, verklaarde het hoger beroep gegrond en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. De zaak wordt terugverwezen voor een nieuwe beoordeling waarbij de belangen van de minderjarige vreemdelingen zwaarder moeten worden meegewogen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning wordt vernietigd vanwege ondeugdelijke belangenafweging.