ECLI:NL:RVS:2021:1113
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing toevoeging rechtsbijstand na vertrek met onbekende bestemming
De Raad voor Rechtsbijstand had bij besluiten van 5 maart 2019 de aanvragen van appellant om een toevoeging voor rechtsbijstand afgewezen, omdat appellant met onbekende bestemming was vertrokken en geen contact meer had met zijn gemachtigde. De rechtbank Noord-Nederland verklaarde het bezwaar tegen deze besluiten niet-ontvankelijk, stellende dat appellant geen belang meer had bij rechtsbijstand.
Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het vertrek met onbekende bestemming niet automatisch het belang bij een inhoudelijke beoordeling van het bezwaar en beroep wegneemt. De gemachtigde was bevoegd het hoger beroep in te stellen zonder aparte machtiging. De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en de besluiten van de raad en verklaarde het beroep gegrond.
De Afdeling overwoog dat de aanvragen om toevoeging terecht waren afgewezen wegens het ontbreken van een voldoende grond voor de vordering, omdat appellant geen contact had met zijn gemachtigde en daardoor geen kans van slagen bestond. Het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel faalde wegens gebrek aan onderbouwing. De Afdeling veroordeelde de raad tot vergoeding van proceskosten aan appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de eerdere uitspraak en besluiten worden vernietigd en het beroep wordt alsnog gegrond verklaard.