Uitspraak
Datum uitspraak: 22 december 2021
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam legde aan appellanten twee boetes van elk €6.000 op omdat zij zonder vergunning twee appartementen hadden omgezet van zelfstandige in onzelfstandige woningen. Appellanten waren sinds 2017 eigenaar van een woning die zij hadden gesplitst in vier appartementen, waarvan zij er twee verhuurden aan meerdere personen die geen gezamenlijk huishouden vormden.
De rechtbank verklaarde de boetes terecht opgelegd, maar appellanten stelden in hoger beroep dat het college niet bevoegd was de boetes op te leggen en dat zij mochten vertrouwen op het niet opleggen van boetes bij naleving van dwangsombepalingen. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het college wel bevoegd was en dat het vertrouwensbeginsel niet slaagde omdat het college duidelijk had gemaakt dat boetes zouden worden opgelegd voor overtredingen tot dat moment.
De Afdeling matigde de boetes met 50% vanwege bijzondere omstandigheden, waaronder het tijdig aanvragen en verkrijgen van omzettingsvergunningen, het ontbreken van overlast en het feit dat appellanten zelf in het pand wonen. De eerdere uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en de boetes vastgesteld op in totaal €6.000. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: De boetes worden gematigd tot in totaal €6.000 en eerdere besluiten vernietigd.