ECLI:NL:RVS:2020:2833
Raad van State
- Hoger beroep
- C.J. Borman
- S.F.M. Wortmann
- J. Gundelach
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit inzage persoonsgegevens en weigering wegens onvoldoende identiteitsvaststelling
Op 30 juli 2017 verzocht appellant om inzage in zijn persoonsgegevens op grond van artikel 35 van Pro de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Het college van burgemeester en wethouders van Heemskerk stelde het verzoek buiten behandeling omdat de identiteit van appellant niet deugdelijk kon worden vastgesteld met de overgelegde documenten.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond en stelde een dwangsom vast wegens het niet tijdig beslissen. Zowel appellant als het college gingen in hoger beroep tegen deze uitspraak. Het college stelde incidenteel hoger beroep in met het betoog dat appellant misbruik van recht maakte door inzageverzoeken in te dienen met het doel dwangsommen en proceskosten te verkrijgen.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor misbruik van recht en bevestigde dat het college in redelijkheid aanvullende eisen mocht stellen voor identiteitsvaststelling. Het verzoek om inzage mocht daarom buiten behandeling worden gesteld. Het hoger beroep van appellant en het incidenteel hoger beroep van het college werden ongegrond verklaard. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant en het incidenteel hoger beroep van het college worden ongegrond verklaard; het college moet proceskosten vergoeden.