ECLI:NL:RVS:2020:2508
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing urgentieverklaring voor co-ouderschap ondanks woonruimteproblematiek
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees de aanvraag van appellant om een urgentieverklaring af wegens het ontbreken van een urgent huisvestingsprobleem, aangezien de ex-partner over een woning beschikt waar het kind kan verblijven. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Raad van State bevestigde dit in hoger beroep.
Appellant voerde aan dat de co-ouderschapsregeling vereist dat zij ook een eigen woonruimte in Amsterdam heeft, mede vanwege de taal en opvoeding van het kind. Het college en de rechtbank stelden dat het beleid strikt is vanwege de schaarste aan sociale woningen en dat de aanwezigheid van het kind bij de andere ouder een urgentie uitsluit. De hardheidsclausule werd niet van toepassing geacht omdat appellant niet aannemelijk maakte dat onzelfstandige of buiten Amsterdam gelegen woonruimte geen optie is.
De Raad van State oordeelde dat het college een fair balance heeft gewogen tussen het individuele belang van appellant en het algemeen belang van rechtvaardige woonruimteverdeling. Tevens werd geoordeeld dat het college voldoende rekening had gehouden met het belang van het kind conform het IVRK. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de afwijzing van de urgentieverklaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.