ECLI:NL:RVS:2020:2182
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering omgevingsvergunning voor omzetting zelfstandige naar onzelfstandige woonruimten in Amsterdam
Het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel Zuidoost heeft geweigerd omgevingsvergunningen te verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan, waarmee zelfstandige woonruimten aan de [locatie 1] en [locatie 2] in Amsterdam zouden worden omgezet in respectievelijk tien en acht onzelfstandige woonruimten. Het college heeft deze besluiten gehandhaafd na bezwaar, waarna de rechtbank deze weigeringen heeft bevestigd.
De appellant voerde aan dat de aanvragen niet in strijd zijn met de bestemmingsplannen omdat de onzelfstandige woonruimten voldoen aan de definitie van woningen en dat eerdere omzettingsvergunningen dit bevestigen. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde echter dat onzelfstandige woonruimten niet als zelfstandige woningen kunnen worden beschouwd, mede omdat de kamers geen eigen voorzieningen hebben en de huurders geen gezamenlijk huishouden vormen.
Daarnaast heeft de Afdeling geoordeeld dat het college de weigering van de vergunningen in redelijkheid heeft kunnen nemen, mede op grond van een vaste gedragslijn die gericht is op het voorkomen van overlast en het beschermen van het woonmilieu in woonwijken bestemd voor één huishouden. Het vertrouwensbeginsel werd verworpen omdat omzettingsvergunningen op grond van de Huisvestingswet 2014 niet automatisch leiden tot het recht op een omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan.
Tot slot werd het beroep op het gelijkheidsbeginsel afgewezen, omdat de eerdere verleende vergunningen voor andere woningen niet vergelijkbaar zijn vanwege verschillen in tijdstip, aantal onzelfstandige woonruimten en beleidswijzigingen. De Afdeling bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de omgevingsvergunningen wordt bevestigd.