ECLI:NL:RVS:2020:137
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- C.M. Wissels
- C.C.W. Lange
- Rechtspraak.nl
Vernietiging rechtbankuitspraak en ongegrondverklaring beroep vreemdeling inzake verblijfsvergunning
De vreemdeling, van Kaapverdische nationaliteit, vroeg om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van familie- of gezinsleven en privéleven zoals bedoeld in artikel 8 EVRM Pro. De staatssecretaris wees de aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank oordeelde echter dat de belangenafweging onvoldoende was en verklaarde het beroep gegrond.
De staatssecretaris ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Raad van State overwoog dat de staatssecretaris bij de belangenafweging een 'fair balance' moest treffen tussen het belang van de vreemdeling en het algemeen belang van een restrictief toelatingsbeleid. De staatssecretaris had alle relevante feiten en omstandigheden betrokken, waaronder het langdurige verblijf van de vreemdeling in Nederland, zijn banden met Kaapverdië, en het feit dat hij niet eerder een verblijfsaanvraag had ingediend.
De Raad van State stelde vast dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de staatssecretaris geen juiste belangenafweging had gemaakt en dat het besluit van 11 december 2018 voldoende was gemotiveerd, ook met betrekking tot het beroep op privéleven. Het hoger beroep van de staatssecretaris werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling alsnog ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.