ECLI:NL:RVS:2020:1345
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- C.M. Wissels
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende bewijs familierelatie
De zaak betreft het hoger beroep van een referent en zijn familieleden tegen de afwijzing van hun aanvragen voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. De familieleden, waaronder de biologische ouders en minderjarige broers en zussen van de referent, stelden dat zij recht hadden op nareisverblijf. De rechtbank had eerder de beroepen ongegrond verklaard.
In hoger beroep werd erkend dat de vreemdelingen onvoldoende substantieel bewijs hadden geleverd van hun identiteit en onderlinge familierelaties, en dat de staatssecretaris terecht geen DNA-onderzoek had aangeboden conform het geldende beleid. De appellanten voerden aan dat de belangen van het kind onvoldoende waren meegewogen en dat de besluiten ondeugdelijk waren gemotiveerd.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat het beleid om geen DNA-onderzoek aan te bieden niet in strijd is met de relevante EU-richtlijn en jurisprudentie. Het belang van het kind weegt niet zo zwaar dat DNA-onderzoek verplicht is indien geen indicatief bewijs is geleverd. De staatssecretaris heeft de besluiten deugdelijk gemotiveerd en de belangen van het kind in acht genomen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf bevestigd.