ECLI:NL:RVS:2020:1341
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over openbaarmaking documenten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur
Appellant verzocht het college van burgemeester en wethouders van Utrecht om openbaarmaking van documenten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob), waaronder akoestische rapporten van horecagelegenheden. Het college stelde dat het verzoek niet was ontvangen en dat de gevraagde informatie al openbaar was, waarna appellant een ingebrekestelling indiende. Het college kende een dwangsom toe wegens niet-tijdig beslissen, maar de rechtbank verklaarde zich onbevoegd en oordeelde dat het verzoek niet tot een besluit hoefde te leiden omdat de informatie openbaar was.
In hoger beroep oordeelde de Afdeling dat de documenten in het gebruikte archiefsysteem niet als openbaar in de zin van de Archiefwet 1995 kunnen worden beschouwd, zodat de Wob wel degelijk van toepassing is en het college een besluit had moeten nemen. De Afdeling verklaarde het beroep tegen het niet-tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk omdat het college op 19 augustus 2016 een besluit had genomen. De dwangsom van €140,00 werd terecht toegekend, maar een hogere dwangsom was niet verschuldigd.
Verder was in het geding dat appellant stelde dat enkele akoestische rapporten nog niet waren verstrekt. Na onderzoek en nadere besluitvorming concludeerde de Afdeling dat het college de gevraagde stukken voor zover mogelijk had verstrekt en dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er nog andere stukken berusten bij het college. Het beroep tegen het besluit van 23 maart 2020 werd ongegrond verklaard. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen omdat de procedure binnen de redelijke termijn van vier jaar bleef.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet-tijdig nemen van een besluit wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het dwangsombesluit wordt gegrond verklaard met vernietiging van het besluit.