ECLI:NL:RVS:2019:594
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van afwijzing kinderopvangtoeslag wegens onvoldoende bewijs betaling kosten
Appellante maakte in 2010 gebruik van gastouderopvang en vroeg daarvoor kinderopvangtoeslag aan. De Belastingdienst/Toeslagen stelde de toeslag definitief vast op nihil omdat appellante niet kon aantonen dat zij kosten had gemaakt. De rechtbank Gelderland verklaarde het beroep van appellante ongegrond en de Raad van State bevestigt deze uitspraak in hoger beroep.
Appellante voerde aan dat het besluit te laat was genomen en dat zij wel degelijk alle kosten had betaald, onderbouwd met jaaropgaven en bankmutaties. De Raad van State oordeelt dat het besluit tijdig is genomen binnen de wettelijke termijn en dat uit de bankmutaties blijkt dat een aanzienlijk deel van de kosten door het gastouderbureau is terugbetaald aan appellante, zodat niet is aangetoond dat alle kosten zijn voldaan.
Verder stelde appellante dat ook niet-financiële tegenprestaties als betaling konden gelden, maar de Raad van State wijst dit af omdat de wet vereist dat de kosten daadwerkelijk door de vraagouder zijn gedragen. Omdat appellante onvoldoende bewijs leverde, faalt haar beroep en wordt de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.