ECLI:NL:RVS:2019:4498
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek tot schorsing uitzetting vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 27 februari 2018 en 7 februari 2019 aanvragen van de vreemdeling afgewezen om te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De vreemdeling maakte bezwaar tegen deze besluiten, die ongegrond werden verklaard. Vervolgens stelde hij beroep in bij de rechtbank, dat eveneens ongegrond werd verklaard.
De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening tegen zijn uitzetting, die op 2 april 2019 gepland stond. De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het hoger beroep kennelijk ongegrond is en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Tevens wees hij het verzoek om voorlopige voorziening af, omdat geen grond bestond om aan te nemen dat de uitzetting onrechtmatig zou zijn.
Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter A.W.M. Bijloos op 1 april 2019, in aanwezigheid van griffier P.A. de Vink.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de uitzetting van de vreemdeling wordt afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.