ECLI:NL:RVS:2019:384
Raad van State
- Hoger beroep
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake niet in behandeling nemen asielaanvraag
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris bij besluit van 27 september 2018 niet in behandeling werd genomen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen dit besluit ongegrond. De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het besluit van de staatssecretaris steunde op artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, maar dat dit gebrek niet tot vernietiging leidt omdat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij hierdoor benadeeld is. De staatssecretaris had immers ook inhoudelijk op het bezwaar van de vreemdeling gereageerd.
De overige grieven van de vreemdeling werden niet ontvankelijk geacht omdat ze geen wezenlijke rechtsvragen opriepen. De Raad van State verklaarde het hoger beroep kennelijk ongegrond en bevestigde het vonnis van de rechtbank, met een verbetering van de motivering. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan de vreemdeling.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt het vonnis van de rechtbank dat de asielaanvraag terecht niet in behandeling is genomen en veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten.