ECLI:NL:RVS:2018:3504
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- A.B.M. Hent
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtsgevolgen bij niet in behandeling nemen opvolgende asielaanvraag
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam bij besluit van 9 oktober 2017 een opvolgende asielaanvraag van de vreemdeling niet in behandeling, met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. De rechtbank verklaarde dit besluit onrechtmatig en vernietigde het, waarbij zij de staatssecretaris opdroeg een nieuw besluit te nemen.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in en betoogde dat het besluit terecht was genomen omdat het een afwijzend besluit van gelijke strekking betrof als een eerder besluit van 5 april 2017. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het eerdere besluit geen afwijzend besluit was, omdat het niet strekte tot inhoudelijke beoordeling maar tot toepassing van de Dublinverordening.
De Afdeling stelde vast dat de rechtbank ten onrechte geen rechtsgevolgen in stand had gelaten, omdat de staatssecretaris aannemelijk had gemaakt dat Italië verantwoordelijk was voor de asielprocedure en de vreemdeling niet had aangetoond dat hij daadwerkelijk asiel had aangevraagd in Italië. De Afdeling vernietigde daarom het deel van het vonnis dat de rechtsgevolgen niet in stand liet en bepaalde dat deze rechtsgevolgen volledig in stand blijven.
Daarnaast veroordeelde de Afdeling de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van € 501,00. Hiermee werd het hoger beroep gegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank gedeeltelijk vernietigd.
Uitkomst: De rechtsgevolgen van het besluit tot niet in behandeling nemen van de asielaanvraag blijven in stand, ondanks gedeeltelijke vernietiging van het vonnis van de rechtbank.