ECLI:NL:RVS:2019:3633
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- C.H.M. van Altena
- G.T.J.M. Jurgens
- B.J. Schueler
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek nadeelcompensatie na beëindiging langdurige subsidierelatie MEE Plus
MEE Plus ontving tot 1 januari 2015 subsidie van het Zorginstituut, dat deze subsidie beëindigde met inachtneming van een redelijke termijn. MEE Plus verzocht om nadeelcompensatie wegens frictiekosten die niet door gemeenten worden vergoed, waaronder restschuld op een kantoorpand, leegstand en afwaardering van investeringen.
Het Zorginstituut wees het verzoek af omdat het systeem van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgens hen geen ruimte biedt voor nadeelcompensatie naast de toets op grond van artikel 4:51 Awb Pro. De Raad van State oordeelde echter dat nadeelcompensatie op basis van het égalité-beginsel naast de Awb mogelijk is, maar dat MEE Plus onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de schade het normale maatschappelijke risico overstijgt.
De Afdeling benadrukte dat MEE Plus als subsidieontvanger rekening had moeten houden met het beëindigen van de subsidie en dat de schade grotendeels het gevolg is van eigen investeringsbeslissingen en bedrijfsvoering. Ook is de subsidierelatie met alle MEE-organisaties tegelijk beëindigd, waardoor geen sprake is van onevenredige benadeling.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om nadeelcompensatie afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van MEE Plus tegen de afwijzing van nadeelcompensatie wordt ongegrond verklaard.