Uitspraak
Datum uitspraak: 28 augustus 2019
BESTUURSRECHTSPRAAK
voorzitter griffier
Raad van State
De minister legde aan appellante sub 2 een bestuurlijke boete op van €61.500 wegens overtreding van de Arbeidstijdenwet (Atw), specifiek het ontbreken van een deugdelijke registratie van arbeids- en rusttijden, geconstateerd tijdens een bedrijfsinspectie op 16 maart 2015. Na bezwaar en beroep stelde de rechtbank de boete vast op €2.805, maar de minister ging in hoger beroep.
De kern van het geschil betrof de uitleg van beleidsregels omtrent het maximaal aantal boetes dat kan worden opgelegd bij overtredingen door minder dan 25 werknemers. De rechtbank beperkte de boete tot drie overtredingen, omdat niet kon worden vastgesteld welke chauffeur welke overtreding had begaan. De Afdeling oordeelde echter dat dit beleid onjuist werd toegepast, omdat het rijden zonder bestuurderskaart juist een ernstig gebrek aan controle betekent en daarom alle overtredingen beboet mogen worden.
Appellante sub 2 voerde aan dat het ontbreken van bestuurderskaarten niet automatisch betekent dat geen deugdelijke registratie werd gevoerd, maar de Afdeling verwierp dit en bevestigde dat de bestuurderskaart het betrouwbare controlemiddel is. De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover het de boete matigde en stelde de boete vast op €16.750, waarmee de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
Uitkomst: De boete wordt vastgesteld op €16.750 wegens overtreding van de Arbeidstijdenwet door het ontbreken van een deugdelijke registratie van arbeids- en rusttijden.