ECLI:NL:RVS:2019:2943
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- C.M. Wissels
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en matiging boete wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen bij vloerwerkzaamheden
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde aan [appellante] een boete op van in totaal €51.250 wegens overtredingen van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). Na bezwaar werd de boete verminderd tot €47.500. De rechtbank verklaarde het beroep van [appellante] ongegrond.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat [appellante] terecht als werkgever in de zin van de Wav werd aangemerkt, omdat zij feitelijk invloed had op de uitvoering van de werkzaamheden die op haar terrein plaatsvonden. De vloerwerkzaamheden door vijf Roemeense vreemdelingen vielen niet onder de grensoverschrijdende dienstverrichting, omdat de vreemdelingen niet in dienst waren van het Roemeense bedrijf [bedrijf A]. Hierdoor was een tewerkstellingsvergunning vereist.
De Raad van State verwierp het beroep op matiging van de boete wegens vermeende onwetendheid en het verbod op uitbesteding in de algemene voorwaarden. Wel werd de boete gematigd met 5% (€2.375) vanwege overschrijding van de redelijke termijn van de procedure. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd, het beroep gegrond verklaard en de boete definitief vastgesteld op €45.125. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De boete wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen wordt vastgesteld op €45.125 met matiging wegens overschrijding redelijke termijn.