ECLI:NL:RVS:2019:2942
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- C.M. Wissels
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en matiging boete voor overtreding Wet arbeid vreemdelingen bij vloerwerkzaamheden door Roemeense vreemdelingen
De zaak betreft een hoger beroep van [appellante] tegen een boete van in totaal €30.750,00 opgelegd door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, en artikel 15, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). De boete werd bij besluit van 26 oktober 2017 gematigd tot €28.500,00. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna [appellante] hoger beroep instelde bij de Raad van State.
Uit het onderzoek van de Inspectie SZW bleek dat drie Roemeense vreemdelingen vloerwerkzaamheden verrichtten op een locatie te Den Haag zonder de vereiste tewerkstellingsvergunningen. De Afdeling oordeelde dat de werkzaamheden niet vielen onder de vrijstelling voor grensoverschrijdende dienstverrichting, omdat de vreemdelingen niet in dienst waren van het Roemeense bedrijf [bedrijf A], maar als zelfstandigen werden aangemerkt. Hierdoor was de Wav van toepassing en was een tewerkstellingsvergunning vereist.
[Appellante] voerde aan dat zij zich hoog in de werkgeversketen bevond en nauwelijks voordeel had bij de illegale tewerkstelling, en dat de boete gematigd moest worden. De Afdeling verwierp deze argumenten, benadrukkend dat de verantwoordelijkheid bij de werkgever ligt om de naleving van de Wav te waarborgen. Wel werd de boete met 5% verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn van behandeling. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd, het beroep gegrond verklaard, en de boete vastgesteld op €27.075,00. Tevens werden proceskosten en griffierecht aan [appellante] toegekend.
Uitkomst: De boete wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen wordt vastgesteld op €27.075,00 met matiging wegens overschrijding van de redelijke termijn.