ECLI:NL:RVS:2019:2810
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake schadevergoeding schuldhulpverlening en afwijzing beroep
Appellant verzocht de burgemeester om schadevergoeding wegens beëindiging van schuldhulpverlening. De burgemeester weigerde dit verzoek en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk. De rechtbank Limburg wees het beroep van appellant af en verwierp het schadeverzoek.
In hoger beroep betoogde appellant onder meer dat hij wegens betalingsonmacht het griffierecht niet kon voldoen, dat de uitspraak van de rechtbank geen rechtskracht had vanwege formele gebreken, en dat hij onterecht niet was gehoord en een getuige niet was opgeroepen. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat appellant niet in verzuim was met het griffierecht vanwege betalingsonmacht, dat de uitspraak van de rechtbank niet rechtsgeldig was omdat deze niet door de griffier was ondertekend, en dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk was omdat de burgemeester niet bevoegd was een besluit te nemen op het schadeverzoek.
De Afdeling vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep ongegrond, wees het schadeverzoek af en veroordeelde de burgemeester tot vergoeding van proceskosten. Tevens werd het griffierecht aan appellant terugbetaald vanwege de geslaagde beroepsgrond betalingsonmacht.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen; appellant wordt vrijgesteld van griffierecht en burgemeester veroordeeld tot proceskostenvergoeding.