ECLI:NL:RVS:2019:2157
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van vermogenstoets bij zorg- en huurtoeslag na schadevergoeding wegens gasexplosie
De zaak betreft het hoger beroep van een appellant tegen de definitieve vaststelling van de zorg- en huurtoeslag over 2015 en voorschotten over 2017, waarbij de Belastingdienst/Toeslagen het vermogen van de appellant te hoog achtte vanwege een schadevergoeding van €320.000,00 ontvangen na een gasexplosie in 2001.
De kern van het geschil is of de immateriële schadevergoeding (smartengeld) buiten beschouwing kan worden gelaten bij de vermogenstoets voor toeslagen. De Belastingdienst stelde vast dat slechts €15.000,00 van de vergoeding als smartengeld kan worden aangemerkt en dat het resterende vermogen te hoog is voor toeslagverlening. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellant dat de Belastingdienst onzorgvuldig handelde en dat haar situatie een uitzondering rechtvaardigt. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de wet- en regelgeving limitatief is en dat de Belastingdienst terecht het grootste deel van de vergoeding als materiële schade heeft meegeteld. Ook werd geoordeeld dat het ontbreken van een hoorzitting in bezwaar geen nadeel heeft veroorzaakt omdat appellant in de beroepsprocedure haar standpunten kon toelichten.
De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond, waarbij het betaalde griffierecht wordt vergoed. De zaak benadrukt de strikte toepassing van de vermogenstoets en de beperkte ruimte voor uitzonderingen bij toeslagverlening.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.