ECLI:NL:RVS:2019:21
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- A.W.M. Bijloos
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vaststelling feitelijke gezinsband bij machtiging voorlopig verblijf pleegkind
De staatssecretaris wees de aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af omdat de feitelijke gezinsband met haar pleegouder, referent, in de periode 2010-2014 niet aannemelijk ononderbroken was. De vreemdeling en referent hadden geen contact gedurende die jaren, en de verklaringen over het moment waarop de vreemdeling uit huis werd gezet, waren tegenstrijdig.
De rechtbank vernietigde het besluit wegens ondeugdelijke motivering, oordelend dat de staatssecretaris onvoldoende zwaarwegende omstandigheden had onderzocht om de gezinsband als verbroken te beschouwen. De staatssecretaris ging in hoger beroep en stelde dat de rechtbank de beleidsregels van de Vreemdelingencirculaire 2000 onjuist had toegepast.
De Raad van State oordeelde dat het aan de vreemdeling en referent is om met plausibele, aannemelijke en consistente verklaringen aan te tonen dat de feitelijke gezinsband niet is verbroken. De Raad vond dat de staatssecretaris het besluit deugdelijk had gemotiveerd, gelet op de tegenstrijdigheden en het gebrek aan contact, en verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard omdat de feitelijke gezinsband niet aannemelijk ononderbroken is gebleven.