ECLI:NL:RVS:2019:1333
Raad van State
- Hoger beroep
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Belastingdienst moet kinderopvangtoeslag 2013 en 2014 opnieuw vaststellen na onterechte stopzetting
De zaak betreft het hoger beroep van appellante tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag en de besluiten van de Belastingdienst/Toeslagen die het voorschot en de definitieve kinderopvangtoeslag over 2013 en 2014 op nihil hadden vastgesteld.
Appellante maakte aanspraak op kinderopvangtoeslag voor de jaren 2013 en 2014, maar de Belastingdienst stelde vast dat zij niet had aangetoond alle kosten te hebben betaald en stopte de uitbetaling van voorschotten per 1 september 2014. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat appellante wel aannemelijk heeft gemaakt dat zij vrijwel alle kosten heeft voldaan in 2013 en de periode tot september 2014, en dat de stopzetting van de voorschotten niet zorgvuldig en volgens de regels is verlopen.
De Afdeling vernietigt de uitspraak en de besluiten, en draagt de Belastingdienst op nieuwe besluiten te nemen waarbij het recht op kinderopvangtoeslag over 2013 en 2014 opnieuw wordt vastgesteld. Tevens wordt een vergoeding van € 500 wegens overschrijding van de redelijke termijn toegekend, alsmede proceskosten en griffierecht.
De uitspraak benadrukt het belang van een deugdelijke administratie door de toeslagontvanger en de zorgvuldige toepassing van opschortingsregels door de Belastingdienst.
Uitkomst: De Belastingdienst moet het recht op kinderopvangtoeslag over 2013 en 2014 opnieuw vaststellen en een vergoeding betalen wegens overschrijding van de redelijke termijn.