ECLI:NL:RVS:2018:3633
Raad van State
- Hoger beroep
- J.A. Hagen
- J.A.W. Scholten-Hinloopen
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking vergoedingen rechtsbijstand wegens onvoldoende bewijs persoonlijke werkzaamheden
De zaak betreft het hoger beroep van een advocaat tegen het besluit van de Raad voor Rechtsbijstand om in achttien zaken de vergoedingen voor rechtsbijstand in te trekken. De intrekking volgde op dossieronderzoek dat niet kon aantonen dat de werkzaamheden persoonlijk door de advocaat waren verricht. De rechtbank had het beroep van de advocaat ongegrond verklaard, maar de Raad van State vernietigt deze uitspraak.
De Raad overweegt dat de intrekking van een subsidie op grond van artikel 4:49 Awb Pro slechts mogelijk is indien sprake is van een kennelijk onjuiste vaststelling waarvan de subsidieontvanger wist of behoorde te weten. In deze zaak was niet vastgesteld dat geen rechtsbijstand was verleend, maar slechts dat onvoldoende aannemelijk was gemaakt dat de werkzaamheden persoonlijk waren verricht. Het ontbreken van urenregistraties of gespreksaantekeningen leidt niet automatisch tot de conclusie dat geen rechtsbijstand is verleend.
De Raad benadrukt dat bij lichte adviestoevoegingen (LAT-zaken) geen urenregistraties vereist zijn en dat de Raad voor Rechtsbijstand bij de controle enkel de toevoegwaardigheid beoordeelt, niet of de werkzaamheden daadwerkelijk zijn verricht. Er is geen aanvullend onderzoek gedaan dat het ontbreken van persoonlijke werkzaamheden aantoont. Daarom is de intrekking niet gerechtvaardigd en wordt het besluit vernietigd.
De Raad bepaalt dat de Raad voor Rechtsbijstand een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze overwegingen en dat tegen dit nieuwe besluit alleen beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak kan worden ingesteld. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan de advocaat vergoed.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de vergoedingen voor rechtsbijstand wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor een nieuw besluit.